Columns

Uut 't Wald | Kuieren

Kuieren (2)

Vorige week had ik het over het woord kuieren, dat bij onze Twentse buren (ook) praten betekent. In het Achterhoeks wordt kuieren alleen gebruikt voor lopen. Net als in het Nederlands meer specifiek voor op je gemak lopen. Oftewel haenig lopen.
Daarvoor kent het Achterhoeks echter nog tal van andere woorden. Gengelen bijvoorbeeld is in praktisch de hele Achterhoek bekend. Maar in de Liemers betekent dat woord zenuwachtig heen en weer lopen. Ofwel ijsberen. Voor kuieren gebruiken ze daar liever het woord lummelen.
Ook köttelen wordt in tal van plaatsen gebruikt. En sökkelen of sukkele. In Zutphen zeggen ze op z'n sukkeltjen lopen. Sloffen en slenteren, woorden die het Nederlands ook kent, betekenen hier ook op je gemak lopen. In de zuidelijke Achterhoek praat men trouwens over drentelen.
Typisch voor Eibergen is het woord slegelen, terwijl ze het twintig kilometer verderop in Winterswijk vroeger hadden over sleuren en drömmelen. Dat laatste woord kennen ze aan de andere kant van de grens trouwens ook voor rustig lopen.
Weer iets verderop, bijvoorbeeld in Aalten en Varsseveld, had men het liever over schungelen. Maar Aalten kent ook het woord kösteren.
Oudere en al lang niet meer gebruikte woorden voor kuieren zijn stathakken, baejeren en drökkelen.
Langzaam lopen kun je natuurlijk goed aanduiden met een uitdrukking. An kommen drieten, bijvoorbeeld. En hondenbezitters zullen de volgende ook meteen snappen: lopen as ne drietenden hond. Maar de volgende vind ik persoonlijk met afstand de allermooiste: Hee löp as 'n slakke dee galoppeeert.

Meer berichten